Ga naar: navigatie, zoeken

De Beste-lijsten

Met in de titel De Beste publiceert Elsevier Weekblad sinds de jaren negentig de resultaten van allerlei eigen onderzoeken naar dienstverlening die voor de lezer van groot belang is. Denk aan onderwijs, zorg en woonomgeving.

Een speciaal daartoe opgerichte ‘onderzoeksredactie’ beoordeelt de kwaliteit van scholen in het voortgezet onderwijs, van hogescholen en universiteiten, van ziekenhuizen, particuliere klinieken en verpleeghuizen, van gemeenten en ‘toplocaties’ voor bedrijven en organisaties. Die onderzoeken hebben namen als De Beste Scholen, De Beste Studies, De Beste Banen, De Beste Ziekenhuizen en De Beste Gemeenten.

Daarnaast doet deze deelredactie jaarlijks onderzoek naar prijzen per vierkante meter op de huizenmarkt, naar de arbeidsmarkt voor afgestudeerde hbo’ers en academici en de inkomens in Nederland. Incidenteel publiceert Elsevier Weekblad onderzoek naar de sterftecijfers in ziekenhuizen, topinkomens, de prestaties van premiers sinds 1848, de (on)bevoegdheid van leraren, grondeigendom in Nederland, verborgen gelden bij schoolbesturen, het functioneren van toezichthouders en de financiële huishouding van gemeentebesturen.

Geschiedenis

Aanvankelijk, in het begin van de jaren negentig, ontwikkelden redacteuren van diverse deelredacties onder hoofdredacteur Hendrik Jan Schoo afzonderlijke onderzoeken naar inkomens, de arbeidsmarkt, het onderwijs en de zorg. In 2001, onder hoofdredacteur Arendo Joustra, werd Arthur van Leeuwen verantwoordelijk voor de opzet, uitvoering en publicaties van alle onderzoeken, eerst als projectleider en later als chef van de onderzoeksredactie.

Die onderzoeksredactie bestond steeds uit twee à drie redacteuren. Van 2000 tot 2005 was Gaby Vullings belangrijk voor het opzetten van onderzoeken als De Beste Scholen en De Beste Gemeenten, en voor de statistische bewerking van de data. In 2008 kwamen Floortje Gunst en Ruud Deijkers in dienst om de onderzoeken geschikt te maken voor publicatie en om kopij te verzorgen voor de bijlagen waarin De Beste Studies en De Beste Banen verschenen.

Een deel van de onderzoeken verricht de redactie zelf, maar meestal werkt ze samen met gespecialiseerde bureaus en wetenschappelijke instituten. Vaste partners waren en zijn het NIPO (nu Kantar TNS en Kantar Public), ResearchNed, SEO Economisch Onderzoek, Berenschot, SiRM, Bureau Louter (daarvoor met TNO Inro), het Kadaster, ScienceWorks en het Centraal Bureau voor de Statistiek. Incidenteel waren ook andere gespecialiseerde partijen betrokken.

Aan de vooravond van het internet-tijdperk verscheen het werk van de onderzoeksredactie natuurlijk nog op papier. Producties als De Beste Studies of De Beste Scholen waren omvangrijk, tot soms wel 60 pagina’s in druk. De eerste pogingen om althans een deel van de keuze-informatie digitaal aan te bieden, en daarmee papier te sparen en ruimte te maken voor andere artikelen, dateren van 2002.

Twee jaar later kreeg de website serieuze proporties en kwamen al meer resultaten van onderzoek digitaal ter beschikking. Maar het was nog altijd technisch niet mogelijk om de keuze-informatie voor de lezer/bezoeker interactief te ontsluiten. In 2014 kon Elsevier Weekblad eindelijk een tool-op-maat presenteren.

De in 2008 aangestelde onderzoeksredacteur Ruud Deijkers speelde al die tijd een cruciale rol bij het opzetten, statistisch bewerken en pasklaar maken van de databestanden en de ontwikkeling van de digitale presentatie van alle onderzoeksresultaten.

Het journalistieke motief

Waarom zo veel energie gestoken in ranglijsten? Van 2008 tot 2018 produceerde de onderzoeksredactie jaarlijks zo’n tien grote onderzoeken. Aan deze onderzoeken ligt een journalistiek motief ten grondslag. Nederlanders betalen jaarlijks via belastingen en verzekeringspremies en substantieel deel van hun inkomen aan onderwijs, gezondheidszorg en openbaar bestuur. Voor de hand ligt dan om te zeggen dat de redactie van Elsevier Weekblad nagaat of ‘de mensen waar voor hun geld’ krijgen. Dat ligt iets ingewikkelder.

Zowel in het onderwijs als de zorg heeft de overheid beslist dat instellingen moeten voldoen aan kwaliteitsnormen om aanspraak te kunnen maken op financiering door de samenleving. Juist in de jaren onder de twee ‘Paarse’ kabinetten (1994-2002) zijn die instellingen ‘op afstand’ van de overheid gezet, en dienen ze allereerst zelf zorg te dragen voor de kwaliteit van het onderwijs, respectievelijk de zorg. Vervolgens probeert de overheid te sturen door de vraag om externe verantwoording (op basis van ‘prestatie-indicatoren’) met inspecties als toezichthouders.

De realiteit is dat de machtige ‘koepels’ en belangenorganisaties in een permanent circuit van vergaderen en onderhandelen zijn beland met ministeries en toezichthouders (niet meer alleen Inspecties, want zo kent de zorg nu ook de Zorgautoriteit en het Zorginstituut) en niet te vergeten de politiek. Daarmee werd het zicht op de kwaliteit er niet beter op en raken verantwoordelijkheden vaak zoek.

Daar ligt de dus de journalistieke opdracht: helderheid scheppen door de lezer van Elsevier Weekblad te bedienen met feiten die zowel de sectoren zelf als de overheid niet willen of kunnen produceren.

Doorbreken geheimhouding

Elsevier Weekblad moest heel wat keren een beroep doen op de Wet openbaarheid van bestuur (WOB) om beschikking te krijgen over gegevens. En anders duurde het vaak maanden van soebatten en onderhandelen voordat het zo ver was.

Als voorbeeld mag dienen de allereerste enquête onder studenten in 1994. Daarvoor moest Arthur van Leeuwen zich op het ministerie van Onderwijs vervoegen waar op een onopvallende plaats in het departementaal restaurant een gesloten envelop werd overhandigd met daarin uiterst geheime informatie: aantallen studenten, per opleiding, per instelling, naar jaar. Nu niet meer voor te stellen, maar zo was het.

Later was een beroep op de WOB noodzakelijk om onder meer de database voor de Veiligheidsmonitor van de ministeries van Binnenlandse Zaken en Justitie te bemachtigen, idem om de database van de Inspectie van het Onderwijs te verkrijgen met onderwijsresultaten van middelbare scholen, en het kwam tot een gang naar de rechter – versus de Inspectie voor de Gezondheidszorg – om sterfte in ziekenhuizen openbaar te krijgen. Dat was in 2010; de rechter wilde daarin toen niet meegaan, maar een jaar later kwamen de gegevens alsnog boven tafel – omdat het moest van het ministerie, maar ook omdat de medisch specialisten als beroepsgroep af wilden van de beschuldiging dat ze alles geheim zouden willen houden. Onder meer daartoe aangezet door negatieve publiciteit.

Nieuws dat bruikbaar is

Een ranglijst gebaseerd op harde criteria is een probaat vehikel om twee doelen te bereiken. Het eerste is de lezer te bedienen met informatie die voor hem of haar van rechtstreeks persoonlijk belang is, zoals de keuze voor een ‘goede’ school, of voor een ziekenhuis dat veilige zorg biedt. Het tweede doel is om scholen, ziekenhuizen – en ook gemeentebesturen - aan te spreken op de consequenties, op falen en slagen, van het gevoerde beleid. De onderzoeken van Elsevier Weekblad sluiten aan bij alle momenten waarop iemand voor een keuze staat: de school voor de kinderen, een plek om te wonen, de beste zorg als er iets mis is met de gezondheid. Het adagium al die jaren was: wie wil kiezen, moet kunnen vergelijken.

Deze werkwijze kreeg een op de redactie de naam News You Can Use mee. Niet toevallig, want in de Verenigde Staten vond Elsevier Weekblad een succesvol voorbeeld bij het weekblad US News & World Report, waarmee ook regelmatig contact was. US News & World Report verschijnt sinds 2010 alleen nog online, maar de formule blijft ijzersterk met nog altijd gezaghebbende rankings als Best Hospitals, Best Colleges en Best Graduate Schools.

Uit de contacten was al snel duidelijk dat de Amerikaanse Freedom of Information Act een steviger fundament voor openbaarheid is dan de Nederlandse WOB. Sterftecijfers in ziekenhuizen per aandoening waren daar veel eerder publiek dan in Nederland. Tot stomme verbazing van de ‘lijstenmakers’ bij het Amerikaanse blad mochten Nederlanders, toch een beschaafd Westers land, van niets weten.

De Beste Studies

Het eerste onderzoek naar de kwaliteit van opleidingen aan universiteiten dateert van 1994, op de cover aangekondigd als ‘Universiteiten-test’. De aanleiding was drieledig:

  • Te beginnen bij het journalistieke motief. Sinds 1986 was het staand beleid in het hoger onderwijs dat universiteiten moesten concurreren op kwaliteit en daarmee om de aandacht en dus inschrijvingen van studenten. Maar geen student wist hoe je erachter moest komen welke opleiding goed was, en welke minder of slecht. De hoofdredacteur destijds, Hendrik Jan Schoo, was snel gewonnen voor het idee om als weekblad zelf, in samenwerking met de befaamde opiniepeiler NIPO, een enquête los te laten op de studentenbevolking. ‘Laat ze het zelf dan maar zeggen’, was het idee.
  • Het tweede motief was commercieel – de advertentiemarkt leek destijds geen plafond te kennen. De afdeling Sales, geleid door de latere directeur Lex Rozenbroek, stelde zich garant voor dekking van de kosten en daarmee was het besluit tot een grootschalige enquête gevallen.
  • Het derde motief was de marketing: het aanboren van een nieuwe veelbelovende, hoogopgeleide en later in doorsnee goed verdienende doelgroep. De abonnees ‘van morgen’ dus.

Het was een schier-militaire operatie. Eerst werden collegeroosters van beoogde respondentgroepen opgevraagd – naar opleiding en studiejaar – met als oogst een kamer vol dozen en stapels papier. Het NIPO wierf intussen studenten om te posten bij de collegezalen en respondenten te werven. Dat wil zeggen, om toestemming te vragen voor een telefonisch interview dezelfde avond. En Arthur van Leeuwen zat ’s avonds in Amsterdam paraat in de zaal van het NIPO met telefonische enquêteurs, ook allemaal studenten, om als samensteller van de vragenlijst en opdrachtgever in de gaten te houden of de interviews volgens afspraak verliepen.

De publicatie bleek een doorslaand succes met een hoge losse verkoop, mede gestimuleerd door stalletjes van Elsevier Weekblad op de universiteiten. De advertentieomzet overtrof alle prognoses en kwam uit op 1 miljoen gulden. De toenmalige CEO daalde prompt af naar de redactie om de initiatiefnemers persoonlijk te feliciteren. Intussen vulde Arthur van Leeuwen zijn tijd met het te woord staan van boze colleges van bestuur: waar Elsevier Weekblad de onbeschaamdheid vandaan haalde om ‘hun’ studenten naar een oordeel over opleidingen te vragen.

De Beste Banen

Twee jaar later, in 1996, zaten Hendrik Jan Schoo en Arthur van Leeuwen aan tafel bij professor Bernard van Praag, toen hoogleraar-directeur van SEO Economisch Onderzoek en later universiteitshoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam. Vraag: kan SEO, gespecialiseerd in onder meer onderzoek naar de arbeidsmarkt, voor Elsevier Weekblad structureel, jaarlijks een licht werpen op de kansen van afgestudeerden op de arbeidsmarkt?

Ook dat was vrijwel onontgonnen terrein. Het ROA in Maastricht publiceerde weliswaar prognoses in een Monitor, maar daarvan waren alleen algemene uitkomsten openbaar – en zeker niet de feitelijke kansen om met een specifieke opleiding aan een bepaalde instelling snel een goedbetaalde, vaste baan te vinden. Die kennis ontvingen alleen de universiteiten en hogescholen in geheime rapportages.

Dat SEO het arbeidsmarktonderzoek de eerstkomende 25 jaar zou uitvoeren was in 1996 niet voorzien. Al was de keuze voor SEO niet toevallig: economie-redacteur Annegreet van Bergen, later auteur van de bestseller Gouden jaren, gebruikte eerder dat jaar onderzoeksgegevens van SEO voor een coververhaal getiteld ‘De beste banen’ (juni 1996), met onder meer aandacht voor de kansen van afgestudeerden. Vanaf 1997 publiceerde Elsevier Weekblad jaarlijks een enquête onder afgestudeerden. Eerst als Goede Studies, Beste Banen; daarna als De Beste banen en uiteindelijk als Studie & Werk.

In 2017 volgde een radicale koerswijziging: de enquête werd gestaakt, onder meer omdat de respons langzaam maar zeker uitdunde. Bovendien lag er een fantastische nieuwe mogelijkheid: SEO kreeg toegang tot microdata van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), dat wil zeggen gegevens over alle afgestudeerden van hun opleiding tot en met de inkomensgegevens van de Belastingdienst. Daarmee is het mogelijk - geanonimiseerd en geaggregeerd onder strikte wettelijke voorwaarden - de feitelijke situatie van afgestudeerden in beeld te krijgen: hoe lang ze zochten voordat ze een substantiële baan vonden, de aard van het contract en het exacte salaris. Elsevier Weekblad en SEO zijn tot op heden de enige (!) bron in Nederland voor deze (bewerkte en geanalyseerde) gegevens.

Enquête hoogleraren

Na 1997 volgde in korte tijd uitbreiding van het repertoire: de hogescholen kwamen erbij als logisch object van onderzoek, zowel voor De Beste Studies als De Beste Banen. In 1998 presenteerde Elsevier Weekblad een afzonderlijke special voor studiekiezers en studenten onder de titel De Beste Studies, en die zou nog tien jaar voortbestaan onder de naam Elsevier Thema Studeren.

In die eerste bijlage verscheen een nieuw onderzoek dat tot veel tumult zou zorgen aan de universiteiten. In samenwerking met onderzoeksinstituut IOWO van de Radboud Universiteit Nijmegen (later met het ITS, en sinds 2006 met het onafhankelijke bureau ResearchNed) presenteerde Elsevier Weekblad middels een enquête onder hoogleraren en universitair hoofddocenten een Faculty Rating. De wetenschappers kregen de vraag voorgelegd welke opleiding op hun eigen vakgebied zij de beste van Nederland vonden.

Hiervoor zijn jaarlijks tot en met 2015 alle hoogleraren en hoofddocenten benaderd, daarna stopte Elsevier Weekblad met deze Faculty Rating. Steevast lag al die jaren de respons tussen de 35 en 40 procent. En vanzelfsprekend mochten de ondervraagde wetenschappers niet op zichzelf stemmen.

Sinds 2006 verzorgt onderzoeksbureau ResearchNed onder leiding van dr. Anja van den Broek al het onderzoek voor De Beste Studies. Tot 2010 gaf Elsevier Weekblad opdracht voor eigen enquêtes onder studenten, daarna is overgegaan op een eigen bewerking van data uit de jaarlijkse Nationale Studentenenquête, in beginsel onder alle studenten en steevast met hoge respons. Sinds 2014 is alle keuze-informatie voor scholieren en studenten, voor bachelor- en masteropleidingen aan universiteiten en hogescholen te vinden op de website van Elsevier Weekblad.

Valorisatie

In 2011 meldde congresorganisator en adviesbureau ScienceWorks zich bij de redactie, met het plan om een Valorisatieranking te publiceren. Het idee: universiteiten zijn tegenwoordig verplicht om niet alleen verslag te doen van prestaties in wetenschappelijk onderzoek en onderwijs, maar moeten ook aan het ministerie verantwoorden welke ‘impact’ zij buiten de muren van de academie hebben. Dat kan zijn door de resultaten van wetenschappelijk onderzoek te ‘vermarkten’, samenwerking te zoeken met het bedrijfsleven, maar bijvoorbeeld ook door zitting te hebben in adviescommissies van de overheid, dan wel belangrijke adviesorganen. Op die manier, zo luidt de redenering, zorgen zij voor toegevoegde maatschappelijke waarde – vandaar de term ‘valorisatie’.

De rankings verschenen in 2011, 2013, 2015 en 2017 en kregen binnen de universitaire wereld veel aandacht. Mede door de bekendmaking van de resultaten op speciale congressen en de uitreiking van awards, georganiseerd door ScienceWorks op passende historische locaties.

  • 2011 Elsevier 25 juni 2011, nr. 25 Van kennis naar kassa
  • 2013 Elsevier 15 juni 2013, nr. 24 Munt slaan uit kennis
  • 2015 Elsevier 5 december 2015, nr. 49 Winst van wetenschap
  • 2017 Elsevier Weekblad 9 december 2017, nr. 49 Kennis, nut en euro's

De Beste Ziekenhuizen

In 1997 zagen twee geheel nieuwe onderzoeken het daglicht. De redenering die leidde tot een zoektocht naar de kwaliteit van hogescholen en universiteiten was ook van toepassing op ziekenhuizen en andere zorginstellingen. De burger betaalt via verzekeringspremies en belastingen jaarlijks veel geld voor huisarts, tandarts, medisch specialist en andere zorgverleners – maar over de kwaliteit van de zorg was zo goed als niets bekend. Behalve dan wanneer de Inspectie incidenteel ingreep bij een ‘calamiteit’, als bijvoorbeeld een medische fout aan het licht kwam.

Waar vind ik een goede dokter, wat is een goed ziekenhuis? Simpele vragen die iedereen zich op zijn tijd stelt, maar waarop ook de huisarts meestal het antwoord schuldig moet blijven. Althans een antwoord dat op meer was gebaseerd dan alleen een eigen waarneming.

Het breekijzer van de enquête zou wederom dienst bewijzen. Adjunct-hoofdredacteur Paul de Hen ontwierp met onderzoeker en consultant Peter Lagendijk, gespecialiseerd in rondvragen in de medische wereld, een onderzoek dat De Beste Zekenhuizen zou gaan heten. Ook hier was de opzet in essentie eenvoudig, die van een peer review: vraag verpleegkundigen, artsen en bestuurders de kwaliteiten van ziekenhuizen en medisch specialisten te beoordelen en er komt een vergelijking uit.

De opzet was aanvankelijk kleinschalig, met een beperkte schare ‘informanten’ uit de sector die in vertrouwen hun informatie deelden. Het effect was verbluffend: er ontstond grote commotie in de ziekenhuiswereld, en daarop volgde de nodige discussie over het gebrek aan ‘transparantie’ in de zorg.

Na vijf jaar namen in 2002 Arthur van Leeuwen en redacteur zorg Willem Wansink het onderzoek over, nog altijd uitgevoerd door Peter Lagendijk en voegden daar van 2004 tot en met 2009 De Beste Specialisten aan toe – waarin dokters daadwerkelijk werd gevraagd onderling hun ‘beste’ vakgenoten aan te wijzen.

Na 2005 veranderde de zorgsector drastisch. Er kwam een nieuw stelsel van gereguleerde marktwerking, met de verzekeraars als inkopers bij op kwaliteit concurrerende zorgaanbieders. Die waren voortaan wettelijk verplicht informatie over hun kwaliteit aan te leveren bij de Inspectie voor de Gezondheidszorg (tegenwoordig: Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd ) aan de hand van prestatie-indicatoren. Zo moesten zorgaanbieders zoals de ziekenhuizen zich verantwoorden aan de samenleving.

Later kwamen daar uitgebreide gegevens bij die werden (en worden) verzameld door wat nu het Zorginstituut Nederland heet. In 2010 besloot Arthur van Leeuwen, inmiddels als enige verantwoordelijk voor De Beste Ziekenhuizen, afscheid te nemen van de enquête als instrument en van Peter Lagendijk als onderzoekspartner. Het instrument was bot geworden, en de journalistieke vraag was nu: wat zeggen al die nieuwe data werkelijk over de kwaliteit van de geleverde zorg?

Sinds 2010 is het onderzoek De Beste Ziekenhuizen daarom geheel gebaseerd op de snel groeiende hoeveelheid openbare data zowel van de IGJ als het Zorginstituut. Dat gebeurt sindsdien met ondersteuning van het in zorg en vraagstukken van gereguleerde marktwerking gespecialiseerde bureau SiRM. Daarnaast gaat Elsevier Weekblad jaarlijks na of ziekenhuizen zich houden aan zogeheten ‘volumenormen’ voor operaties, en bericht het ook over de financiële positie van ziekenhuizen – gebaseerd op de analyses van jaarverslagen door bureau SiRM.

Verzorgingshuizen

Eenzelfde type onderzoek deed Elsevier Weekblad in 2011 en 2012 naar de kwaliteit van verzorgingshuizen, verpleeghuizen en thuiszorg. Na twee jaar bleek de sector via de lobby-kanalen de informatiestroom helaas zodanig te hebben beperkt - met kennelijke instemming van de toezichthouders - dat daaruit nauwelijks nog zinnige conclusies te trekken waren. Het bleef dus noodgedwongen bij twee edities. Maar twee jaar later zou toenmalig staatssecretaris Martin van Rijn wel in grote problemen komen door ernstige misstanden in verpleeghuizen.

  • 2011 Elsevier 3 december 2011, nr. 48 De beste verpleeghuizen; Onderzoek naar de kwaliteit van 2.440 verpleeg- en verzorgingshuizen en organisaties voor thuiszorg
  • 2012 Elsevier 1 december 2012, nr. 48 De beste verpleeghuizen; 2.542 verpleeghuizen, verzorgingshuizen en thuiszorgorganisaties beoordeeld

Particuliere klinieken

Het viel intussen op dat één segment van de ‘zorgmarkt’ ten onrechte onderbelicht was gebleven, zowel bij het ministerie van VWS, de Inspectie als de media. Particuliere klinieken hadden zich na 2006, onder het nieuwe stelsel, een stevige plek naast de ziekenhuizen verworven. Maar hoe het met de controle op de kwaliteit van de geleverde zorg was gesteld, laat staan de publieke verantwoording, was volstrekt onhelder. Daarom besloot Elsevier Weekblad, andermaal met bureau SiRM, ook de kwaliteit van de ‘private’ zorg in beeld te brengen.

Dit leidde tot de publicatie De beste particuliere klinieken in 2017 en 2018 – de eerste keer na moeizaam touwtrekken met de Inspectie om de vereiste data te bemachtigen. Het resultaat was een bevestiging van het vermoeden: de kwaliteit van de zorg, en vooral de externe verantwoording daarvan, liet (en laat) bij te veel klinieken te wensen over. Plus nog een opmerkelijke uitkomst: klinieken met een keurmerk van de eigen branchevereniging Zelfstandige Klinieken Nederland komen merendeels beter door de ‘stress-test’ van Elsevier Weekblad dan niet-aangesloten klinieken.

  • 2017 Elsevier 10 maart 2017, nr. 10 De beste klinieken 2017
  • 2018 Elsevier Weekblad 21 april 2018, nr. 16 De beste klinieken 2018

De Beste Gemeenten

In 1997 stond nog meer op stapel: in die jaren was er veel te doen rond thema’s als ruimtelijke ordening en de inrichting van het openbaar bestuur. En natuurlijk stond de kern daarvan, de bevoegdheden en handelwijze van gemeenten, sterk in de belangstelling. Het idee was dus: laten we alle gemeenten eens tegen elkaar afzetten om na te gaan waar het goed wonen is. Wellicht viel dan ook de vraag te beantwoorden of gemeentebestuurders hun taak naar behoren vervullen: van het onderhoud van openbaar groen of het handhaven van orde en veiligheid tot de financiën en lokale economie.

In de loop van de jaren zouden allerlei aspecten van het openbaar bestuur zo de revue passeren, met mede- of tegenwerking van diverse ministeries, vaak in nauwe samenwerking met het CBS, incidenteel met goed ingevoerde partijen als Deloitte en PWC – en al die jaren met onderzoekspartner Bureau Louter. Dat leverde bijlagen op als ‘Stad en Land’ en ‘Wonen’ en jaarlijks verschijnt de coverproductie ‘Waar is het goed wonen?’, met resultaten van het onderzoek naar De Beste Gemeenten.

Sinds 2008 heeft het onderzoek een methodologisch vaste vorm gekregen in een vergelijking op ruim 100 beoordelingspunten. Met onder meer standaard een berekening op hoeveel afstand de inwoners allerlei voorzieningen als scholen, winkels en ziekenhuizen vinden – ongeacht de gemeentegrens. Vaak belangrijke motieven bij de keuze van een nieuwe woonplaats.

Toplocaties

Parallel aan De Beste Gemeenten ontwikkelden Arthur van Leeuwen en Peter Louter (van het gelijknamige bureau) de jaarlijkse productie Toplocaties. Over de jaren heen leverde dat een schat aan informatie op over de relatieve economische vitaliteit van gemeenten op, dat wil zeggen, hoe sterk de lokale economie is, afgemeten aan het inwonertal. Op die manier kwam bijvoorbeeld een gemeente als Zwolle en zelfs Son en Breugel dikwijls hoog in de ranglijst, ook al zijn in absolute zin de Amsterdam en Rotterdam natuurlijk nationale trekkers. Zo kwamen vele regionaal belangrijke aanjagers van de economie in beeld.

Tweede pijler van Toplocaties werd de berekening van de toegevoegde waarde per locatie van 1 vierkante kilometer. Zo is het, eenvoudig gezegd, mogelijk om na te gaan waar in Nederland per vierkante kilometer het meeste geld wordt verdiend. Het journalistieke en maatschappelijke belang van dit uitzoekwerk is evident: grond is in Nederland uitermate schaars, dus is het beter om goed te weten hoe die optimaal kan renderen voor de nationale economie – een nuchtere analyse tegenover de ruimtevretende ambities van al die gemeentebestuurders die een eigen bedrijventerrein en kantoorlocatie wensen, ook al is dat strijdig met het algemeen belang.

Een spraakmakende exercitie was de berekening van de toegevoegde waarde van snelwegen – ofwel, wat alle ‘zichtlocaties’ met kantoren en distributiecentra bijdragen aan de nationale economie. Met de A2 als nummer 1.

Huizenprijzen per vierkante meter

Veel later, in 2016 presenteerde Elsevier Weekblad een logische aanvulling op De Beste Gemeenten: een onderzoek in samenwerking met het Kadaster naar huizenprijzen per vierkante meter. Met als covertekst: Wat is uw huis werkelijk waard? Voor het eerst bleek het voor het Kadaster mogelijk om bestanden uit verschillende bronnen zodanig te combineren dat voor alle wijken en buurten in Nederland de gemiddelde verkoopprijs is te berekenen. Dan gaat het om de euro’s die kopers werkelijk betaalden, dan wel verkopers daadwerkelijk ontvingen, want de bedragen zijn gebaseerd op de notariële akte.

Daar lag ook het journalistieke motief: de media publiceren veel over de huizenmarkt, met name als de Nederlandse Vereniging van Makelaars weer haar kwartaalrapportages publiceert. Probleem is alleen dat de NVM spreekt voor circa 70 procent van de makelaars, en zich hoofdzakelijk baseert op vraagprijzen. Dat valt niet los te zien van het belang dat makelaars daarbij hebben. Dus heeft de consument belang bij tegenwicht: de feiten over wat werkelijk is betaald.

  • 2016 Elsevier 30 april 2016, nr. 17 Wat is uw huis werkelijk waard?
  • 2017 Elsevier 6 mei 2017, nr. 18 Wat is uw huis echt waard?
  • 2018 Elsevier Weekblad 5 mei 2018, nr. 18 Huizenprijs per vierkante meter

Wie verdient wat?

Ook het jaarlijkse onderzoek Wie verdient wat? kent een lange traditie. Het eerste omslagverhaal in het teken van deze vraag – overigens altijd consequent in het artikel beantwoord – verscheen in 1996 van de hand van Paul de Hen. Daarna leverden verschillende auteurs, onder wie Hans Crooijmans en Frank van Empel, bijdragen aan gelijknamige publicaties.

In 1998 volgde de eerste samenwerking met Berenschot, als een van de gespecialiseerde adviesbureaus die waren geraadpleegd. In de jaren daarna zou Berenschot vaste partner zijn voor Wie verdient wat?

Vanaf 2002 is Arthur van Leeuwen verantwoordelijk voor de productie. Uit een rekenexercitie met de beloningsadviseurs van Berenschot volgde een vaste formule: 257 functies bij bedrijven en overheden vormden als het ware de ‘nationale loonlijst’, een dwarsdoorsnede door de werkende beroepsbevolking en hun bruto jaarsalaris. Economieredacteur Ron Kosterman was vaak co-auteur, met name om de beloning van CEO’s van beursgenoteerde ondernemingen in beeld te krijgen.

In het eerste decennium van de 21ste eeuw lagen jaarlijks de topinkomens van overheidsdienaren onder vuur, en van hen hebben er heel wat onaangename herinneringen overgehouden aan het speurwerk van diverse betrokken redacteuren. Tal van overheidsdienaren verdienden ruim boven wat toen de ‘Balkenende-norm’ heette. Tegenwoordig houden Tweede Kamer en ministeries scherper toezicht, zijn de publieke topinkomens strak bij wet geregeld en zijn uitwassen beperkt tot een handjevol functionarissen en tv-presentatoren.

  • 1996 Elsevier 30 maart 1996, nr. 14 Wie verdient wat?
  • 1997 Elsevier 22 maart 1997, nr. 12 Wie verdient wat?
  • 1998 Elsevier 27 juni 1998, nr. 26 Wie verdient wat?
  • 1999 Elsevier 26 juni 1999, nr. 25 Wie verdient wat?
  • 2000 Elsevier speciale uitgave Inkomens juli 2000 Wie verdient wat?
  • 2001 Elsevier 16 juni 2001, nr. 24 Wie verdient wat?
  • 2001 Elsevier speciale uitgave Inkomens juli 2001 Wie verdient wat?
  • 2002 Elsevier 8 juni 2002, nr. 23 Wie verdient wat?
  • 2003 Elsevier 7 juni 2003, nr. 23 Wie verdient wat?
  • 2004 Elsevier 29 mei 2004, nr. 22 Wie verdient wat?
  • 2005 Elsevier 4 juni 2005, nr. 22 Wie verdient wat?
  • 2006 Elsevier 3 juni 2006, nr. 22 Wie verdient wat?
  • 2007 Elsevier 2 juni 2007, nr. 22 Wie verdient wat?
  • 2008 Elsevier 7 juni 2008, nr. 23 Wie verdient wat?
  • 2009 Elsevier 30 mei 2009, nr. 22 Wie verdient wat?
  • 2010 Elsevier 19 juni 2010, nr. 24 Wie verdient wat?
  • 2011 Elsevier 4 juni 2011, nr. 22 Wie verdient wat?
  • 2012 Elsevier 2 juni 2012, nr. 22 Wie verdient wat?
  • 2013 Elsevier 1 juni 2013, nr. 22 Wie verdient wat?
  • 2014 Elsevier 31 mei 2014, nr. 22 Wie verdient wat?
  • 2015 Elsevier 30 mei 2015, nr. 22 Wie verdient wat?
  • 2016 Elsevier 16 april 2016, nr. 15 Wie verdient wat?
  • 2017 Elsevier 22 april 2017, nr. 16 Wie verdient wat?
  • 2018 Elsevier Weekblad 14 april 2018, nr. 15 Wie verdient wat?

De Beste Scholen

In 2001 ging een oude redactionele wens in vervulling. Al jaren leefde het plan om ook een beoordeling van alle middelbaren scholen – dus vmbo, havo en vwo – te publiceren, maar het was Trouw dat in 1998 via een beroep op de Wet Openbaarheid van Bestuur het eerst de benodigde data van de Inspectie van het Onderwijs bemachtigde. En vervolgens, met hulp van de befaamde hoogleraar Jaap Dronkers, ook kraakte.

Na een tweede publicatie in 1999 was Arthur van Leeuwen ervan overtuigd dat de beoordeling door Trouw onvoldoende scherp was. Hij sprak met tal van deskundigen, ook de wetenschappers die het meetinstrument van de Inspectie ontwierpen, en vond daarin voldoende bevestiging.

Ook Elsevier Weekblad moest nog een beroep doen op de WOB – merkwaardige gang van zaken – om de data van de weerspannige Inspectie te kunnen ontvangen. Dat ging ook niet zonder onaangename gesprekken met de toenmalige hoofdinspecteur die vond dat de media ‘niet moesten spugen in eigen bron’. Ofwel: de Inspectie vond dat kritiek op de overheid uit den boze was nu de gegevens waren overhandigd. Maar de eerste Beste Scholen verscheen in december 2001, met kritiek op de Inspectie en met een eigen visie op de prestatiemeting van middelbare scholen.

Belangrijk punt is dat Elsevier Weekblad de ‘kale’ cijfers over zittenblijven, doorstromen en examenresultaten berekent en van een oordeel voorziet – tegenover de Inspectie die zo’n kale berekening afwijst en het oordeel gunstiger laat uitvallen als een school naar verhouding veel leerlingen telt uit sociaal-zwakke wijken. Die ‘toegevoegde waarde’ is nuttige informatie voor ouders, is altijd het standpunt van Elsevier Weekblad geweest, maar die mag niet zonder de waarheid blijven over de feitelijke prestaties van zo’n school ten opzichte van andere scholen.

Ook kent de Inspectie slechts twee typen oordeel – voldoende of onvoldoende – waarbij 95 procent van de scholen een voldoende krijgt. Elsevier Weekblad onderscheidt de scholen naar vier classificaties: ‘superschool’, ‘goed’, ‘voldoende’ en ‘onvoldoende’. Daar hebben ouders die met hun kinderen een school zoeken, meer aan. Deze wijze van beoordelen bleef vrijwel ongewijzigd tot op heden. Intussen staakte Trouw de publicatie, daarna verscheen nog enkele jaren een nieuw type berekening van Dronkers in de Volkskrant en bij RTL Nieuws. Na diens overlijden in 2016 was er geen concurrentie meer in de media en is Elsevier Weekblad, naast de website van de Inspectie en eigen informatie van de scholen via ‘Kwaliteitsvensters’, voor ouders en leerlingen de enige onafhankelijke bron.

  • 2001 Elsevier 8 december 2001, nr. 49 De beste scholen 2001
  • 2003 Elsevier 11 januari 2003, nr. 2 De beste scholen 2003
  • 2004 Elsevier 10 januari 2004, nr. 2 De beste scholen 2004
  • 2005 Elsevier 15 januari 2005, nr. 2 De beste scholen 2005
  • 2006 Elsevier 14 januari 2006, nr. 2 De beste scholen 2006
  • 2007 Elsevier 20 januari 2007, nr. 3 De beste scholen 2007
  • 2008 Elsevier 12 januari 2008, nr. 2 De beste scholen 2008
  • 2009 Elsevier 10 januari 2009, nr. 2 De beste scholen 2009
  • 2010 Elsevier 16 januari 2010, nr. 2 De beste scholen 2010
  • 2011 Elsevier 15 januari 2011, nr. 2 De beste scholen 2011
  • 2012 Elsevier 14 januari 2012, nr. 2 De beste scholen 2012
  • 2013 Elsevier 12 januari 2013, nr. 2 De beste scholen 2013
  • 2014 Elsevier 11 januari 2014, nr. 2 De beste scholen 2014
  • 2015 Elsevier 17 januari 2015, nr. 3 De beste scholen 2015
  • 2016 Elsevier 23 januari 2016, nr. 3 De beste scholen 2016
  • 2017 Elsevier 21 januari 2017, nr. 3 De beste scholen 2017
  • 2018 Elsevier Weekblad 20 januari 2018, nr. 3 De beste scholen 2018

Top-500 bedrijven

Een voor de lezers van Elsevier Weekblad voor de hand liggende ranglijst ontbrak nog lang in de serie: een ranglijst van bedrijven. In 2012 konden Arthur van Leeuwen en economieredacteur Ron Kosterman een overeenkomst sluiten met informatieleverancier Bureau van Dijk - inmiddels eigendom van Moody’s en onderdeel van Moody’s Analytics - om een Top-500 van grootste Nederlandse bedrijven op te stellen.

Gegevens over omzet, winst en personeel vormen de kern van de lijst en zijn afkomstig uit de databank Reach. Daarin zijn bijvoorbeeld alle gegevens van de Kamer van Koophandel te vinden. Bureau van Dijk was in de jaren daarna bereid ook uit andere bronnen putten, om onder meer gekochte en verkochte bedrijven in beeld te brengen of bijvoorbeeld bedrijven te ordenen naar innovatieve kracht.

Na Ron Kosterman nam economieredacteur Michiel Dijkstra de jaarlijkse productie op zich, gesteund door wisselende leden van de economieredactie. De productie bevat niet alleen een ranglijst, maar belicht daarnaast ook winnaars en opmerkelijke bedrijven in afzonderlijke portretten.

  • 2012 Elsevier 24 november 2012, nr. 47 Top 500 bedrijven
  • 2013 Elsevier 19 oktober 2013, nr. 42 Top 500 bedrijven
  • 2014 Elsevier 18 oktober 2014, nr. 42 Top 500 bedrijven
  • 2015 Elsevier 14 november 2015, nr. 46 Top 500 bedrijven
  • 2016 Elsevier 22 oktober 2016, nr. 42 Top 500 bedrijven
  • 2018 Elsevier Weekblad 17 februari 2018, nr. 7 Top 500 grootste bedrijven

Top-100 familiebedrijven

Een jaar later, in 2013, verscheen een spin-off in de vorm van een Top-100 voor familiebedrijven. Ook hiervoor kon dankbaar gebruikt worden gemaakt van de bereidwilligheid en kennis bij Bureau van Dijk. Op zich staan familiebedrijven doorgaans niet in de rij om in de publiciteit te komen, maar journalistiek gezien is de jaarlijkse operatie alleen al de moeite waard omdat het belang van familiebedrijven voor de Nederlandse economie in beeld komt. Ook aan deze jaarlijkse productie droegen inmiddels verscheidene economieredacteuren hun steentje bij.

  • 2013 Elsevier 18 mei 2013, nr. 20 Top 100 familiebedrijven 2013
  • 2014 Elsevier 12 april 2014, nr. 15 Top 100 familiebedrijven 2014
  • 2015 Elsevier 9 mei 2015, nr. 19 Top 100 familiebedrijven 2015
  • 2016 Elsevier 9 april 2016, nr. 14 Top 100 familiebedrijven 2016
  • 2017 Elsevier 15 april 2017, nr. 15 Top 100 familiebedrijven 2017
  • 2018 Elsevier Weekblad 7 april 2018, nr. 14 Top 100 familiebedrijven 2018

De Beste Auto’s

Van 2004 tot en met 2008 publiceerde Elsevier Weekblad jaarlijks één, later twee bijlagen onder de naam Elsevier Thema Auto. Verantwoordelijk redacteur Arthur van Leeuwen legde contact met de Duitse keuringsinstantie TüV om toestemming te vragen de resultaten van hun jaarlijkse – in de auto-industrie maatgevende èn gevreesde – rapportage over de staat van het Duitse wagenpark over te nemen.

Een reisje naar het hoofdkwartier in Berlijn beklonk de zaak, onder voorwaarde dat de publicatie niet los verkrijgbaar zou zijn in de kiosk. Het TüV-Report verschijnt bij traditie namelijk jaarlijks in het Duitse magazine AutoBild dat inmiddels ook in Nederland verkrijgbaar is. Vandaar de eis.

De kracht van het rapport is dat bijna alle automerken te vinden zijn in ranglijsten voor auto’s van 2 en 3, 4 en 5, 6 en 7, 8 en 9 en 10 en 11 jaar oud. Deze ranglijsten zijn gebaseerd op (alle) werkelijke keuringen en de aangetroffen gebreken. Anders dan bij de Nederlandse APK waar garages worden verondersteld via de BOVAG elkaar in de gaten te houden, terwijl de overheid slechts enkele procenten van het wagenpark daadwerkelijk controleert. Al biedt de ANWB haar leden het nodige advies plus technische assistentie, nuttige consumenteninformatie als van de TüV ontbrak en ontbreekt in Nederland.

  • 2004 Elsevier Thema Auto april 2004 De beste auto's van 2004
  • 2005 Elsevier Thema Auto april 2005 De beste auto's van 2005
  • 2006 Elsevier Thema Auto april 2006 De beste auto's van 2006
  • 2007 Elsevier Thema Auto april 2007 De beste auto's van 2007
  • 2008 Elsevier Thema Auto april 2008 De beste auto's van 2008

Evaluatie: hebben die ‘Beste-lijsten’ zin?

Een bekende valkuil voor journalisten is de veronderstelling dat zij door hun publicaties zelf degenen zijn die nieuwe maatschappelijke ontwikkelingen ‘ontdekken’ dan wel ‘in gang zetten’. Meestal is het iemand die op het goede moment op de juiste plek is, iemand die een nieuwe ontwikkeling als eerste passend onder woorden brengt, of katalysator is van een stroom berichten en nieuwtjes rond een actueel onderwerp.

Met de ‘Beste-lijsten’ is het zo ongeveer gegaan: verschillende ontwikkelingen – de overheid op afstand gezet, een stijging van uitgaven, het individueel belang, een gebrek aan toezicht of verantwoording – vragen om een antwoord. En een journalistiek medium beslist hoe. Dat ‘hoe’ was niet alleen een bewuste keuze voor de formule News you can use.

Van meet af aan was er ook de behoefte om tegenover het geweld aan beleidsnota’s, rapporten van deskundigen en cijfers van overheden en belanghebbende organisaties eigen feitenmateriaal te stellen – zo onafhankelijk mogelijk, en zonder meteen naar autoriteiten als ‘koepelvoorzitters’, inspecteurs-generaal, ministers en parlementariërs te stappen om middels hun quotes extra gewicht te geven aan een publicatie. Elsevier Weekblad heeft een afkeer van ‘geleende autoriteit’ om zelf meer aanzien te verwerven, en heeft altijd waarde gehecht aan een tweede uitgangspunt: de redactie oordeelt autonoom en kiest een eigen positie, op basis van feiten, en durft daarin ook alleen te staan als het erop aankomt.

Het is nu moeilijk voor te stellen in een mediawereld waarin lijstjes gewoon zijn, waarin big data ook voor journalisten een permanente informatiestroom opleveren, en waarin onderwijsinstellingen en aanbieders van zorg gewend zijn aan een buitenwereld die informatie wenst over ‘prestaties’ en de verantwoording daarvan – maar bij vrijwel elk nieuw gepubliceerd onderzoek kwam stevig verzet los.

Advocatenbrieven van universiteiten en hogescholen, machinaties van ziekenhuisbestuurders via andere media, tegenwerkende inspecties, en altijd met als eerste aanvalslijn: de uitkomsten kunnen niet deugen want ‘de onderzoeksmethode’ deugt niet. Dat laatste is voor de critici een steeds lastiger waar te maken verwijt geworden, want Elsevier Weekblad werkt alleen met bureaus en onderzoeksinstituten die in de sectoren zelf – hoofdzakelijk onderwijs, zorg en openbaar bestuur - gezag genieten en het beoordeelt prestaties bij voorkeur aan de hand van cijfers en gegevens die de sectoren zelf, meestal op wettelijke basis, moeten produceren en publiceren.

Wat zeker hielp een naam op te bouwen was de organisatie van talrijke evenementen, meestal symposia, over de kwaliteit van de zorg, onderwijsvraagstukken en kwesties in het openbaar bestuur in de ruimtelijke ordening. Een keur aan sprekers trad op, meestal op de dag waarop een editie van de ‘Beste-lijsten’ uitkwam.

Op die manier heeft Elsevier Weekblad in al die jaren soms bastions opengebroken, vaker als katalysator gefungeerd van wat breder leefde, maar er in elk geval voor gezorgd dat die bastions niet meer konden worden gesloten. En nog altijd ontbreken vitale gegevens, zoals de uitkomsten van medisch handelen – ofwel, of dokters hun werk goed doen. Zo kunnen scholen ongelimiteerd rommelen met onbevoegde docenten, of kunnen universiteiten wegduiken bij de vraag wat de financiële schade is van alle gastvrijheid aan buitenlandse studenten.

Maar los daarvan: iemand moet de radarwerken van Nederland in de gaten houden – niet voor één keer, maar van jaar op jaar.